Jan(e) betreedt de Nederlandsche Bank
Over de transformatie van de bank in woord en beeld
Tekst: Jan van Teeffelen (citywatcher)
Beeld: Boudewijn van den Breemer (urban manager)
Deze column gaat over de bestaande stad. Lange tijd heeft DNB zich gedragen als zo ongeveer het tegendeel van waar de JJ Society voor staat.
Haar doel is immers: “om bij te dragen aan een bredere waardering voor steden als complexe, levendige systemen waarin ruimte is voor diversiteit, menselijke interactie en kleinschaligheid”.
DNB sloot zich lange tijd af van de stad als een ondoordringbaar fort. De volgende noties wil ik graag toevoegen om deze doelstelling een plek te geven in de bredere dynamiek die van invloed is op de ontwikkeling van steden. Er vindt een continu gevecht plaats tussen publieke- en private belangen met daartussen het gemeenschappelijke domein als interessante opgave. De kleine schaal en de grote performance kennen beiden hun eigen dynamiek en maken onderdeel uit van elke vitale stad. Skyscraping en groundscraping dagen elkaar uit en vragen naast een conceptuele stedenbouw ook om een ‘behavourial approach’: hoe gebruiken mensen hun stad? Top down planning en bottom up beweging kunnen met elkaar op gespannen voet staan, maar ook elkaar aanvullen.
Hoe dat met DNB heeft uitgepakt is een mooi voorbeeld van wat wel de ‘sense of place’ methode wordt genoemd. Hoe kun je een plek maar ook een gebouw zodanig ontwikkelen of transformeren dat de inherente betekenis ervan voor de stedeling duidelijk wordt? Daartoe is het gebouw op een voorbeeldige manier ‘entkernt’ zoals de Duitser zou zeggen. De harde, dooie pit gereanimeerd en teruggegeven aan het publiek. Terwijl de functie van de bank als moderne, monetaire instelling is geoptimaliseerd en zichtbaar gemaakt voor de outsider. Het gebouw is, om de lelijke stedenbouwkundige term te gebruiken, ‘doorwaadbaar’ en ‘omloopbaar’ gemaakt. Er is een nieuw stuk stad op ooghoogte ontstaan. Zonder burgerparticipatie, maar vanuit een goed gegrepen eigenbelang van de instelling. Qua materialisering is de plint niet al te veel veranderd. Een wegzwenkend segment in het hekwerk aan het Westeinde geeft toegang tot de semipublieke tuin met kunst. Er is een vlonder langs het water aan de zuidzijde als bijdrage van de bank aan de zgn. Green Mile. En een mooie parkzone aan de noordzijde bij de nieuwe hoofdingang direct bij de halte van lijn 24. Van kleinschaligheid in de vernieuwde bank is geen sprake. Daarvoor is de nabije Utrechtse straat de ‘place to be’. Het blijft een grootschalig gebouw, maar het interieur is van een weldadige ruimtelijkheid. Men kan er werken, koffiedrinken, kunst bekijken, vergaderen. O.a. de eerste VEB-beleggersbootcamp vond er plaats. En straks in het nieuwe auditorium de presentatie van College Tour. De imposante kluis als experience is een bezoek waard. Er zijn twee kleine theaterachtige plekken voor presentatie. En een uitkijkpunt op het dak.
Jane zou tevreden zijn met het resultaat. Ook al voldoet het project niet aan de geijkte criteria van kleinschaligheid en burgerparticipatie. Misschien moeten we nog een paar dimensies toevoegen aan de ambities van JJ. Het inzetten van de ruimtelijke kwaliteit en de semi-openbare ruimten van grote gebouwen. Denk aan het CS in Rotterdam of het Depotgebouw aldaar. Maar ook hotellobby’s zoals het nieuwe Rosewood en het OBA op het Oosterdoks eiland. Dit zijn enkele voorbeelden die zich moeiteloos laten opnemen in de methodiek van de Nolli kaarten van een stad. De bank vertelt hiermee een nieuw spannend verhaal en geeft een nieuwe betekenis aan de plek.
Met andere woorden: we moeten wel weten wat het speelveld is en met wie we ‘in het veld’ staan. Als we het over de stad hebben moeten we het niet alleen hebben over wonen en bewoners. Het al te leidend maken van ‘kleinschaligheid’ sluit een andere appreciatie uit als het gaat om hoe de stad gebruikt en gewaardeerd wordt. Verkleining van de schaal kan er ook toe doen zo blijkt. En het betrekken van semi-openbare ruimte bij het leven in de stad.
Dit is ook wat mij betreft een eerder gemaakte kanttekening bij het gedachtegoed van Jane Jacobs bij ontwikkeling en behoud van steden.
Volgens mij is de gereedschapskist die in deze ons ter beschikking staat veel rijker dan we denken. Die bevat niet alleen bottom up instrumenten, maar ook top down benaderingen, niet alleen een focus op kleinschaligheid, maar ook op ‘grootsheid’, niet alleen initiatief vanuit de participerende burger, maar ook bewegingen vanuit verantwoordelijke bedrijven en instellingen. Er zitten nu veel meer partijen rond de tafel waar het gaat om te werken aan de leefbaarheid van de stad.
Zadkine zal overigens ook tevreden zijn met de nieuw positie van zijn beeld. Jammer alleen dat ook hier de eeuwige ‘Amsterdamse fiets’ zich zo nodig moet manifesteren. In elk geval is Het DNB-complex meer dan voorheen een ‘demeure humaine’ geworden. De enige kanttekening: je kunt in het complex (nog?) niet wonen. Voor zover mijn particuliere observaties van een vernieuwd stukje stad.
Toelichting van Boudewijn bij het beeld:
Waar woorden beleid maken, laat beeld voelen. Als urban manager gebruik ik fotografie om de menselijke maat zichtbaar te maken in stedelijke transformatie. De vernieuwing van De Nederlandsche Bank laat zien hoe architectuur, geschiedenis en beleving samenkomen. In dit spanningsveld is het waar beeld de betekenis krijgt die men kan doorvoelen.

Reacties